Duurzaam economisch groeipotentieel

[main-choices]


De economie van de toekomst is duurzaam, circulair, kennisintensief en internationaal concurrerend. Dat levert veel winst op in termen van banen, innovatie, nieuwe bedrijvigheid, werkgelegenheid en exportmogelijkheden. Nederland handhaaft zijn positie in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Ook in de toekomst heeft Nederland groot belang bij een open economie en een goede verbondenheid met de economieën in de ons omringende landen en wereldwijd. Aangezien onze (grote) steden belangrijk zijn voor onze economie, is optimale afstemming van wonen, werken en verplaatsen in en bij deze steden van groot economisch belang. In alle regio’s van het land is een grote verscheidenheid aan economische activiteiten te vinden, waarvoor een goed vestigingsklimaat belangrijk is.

De mondiale concurrentie en snelle veranderingen in de economie noodzaken de Nederlandse economie zich blijvend te vernieuwen en aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Ruimtelijke randvoorwaarden en de fysieke leefomgeving als geheel spelen daarin een belangrijke rol. Ze kunnen de economische dynamiek stimuleren en faciliteren en ruimte geven aan economische transities, duurzame innovaties en startups. Ontwikkelingen ten behoeve van een duurzaam en concurrerend vestigingsklimaat vragen om een aanpak in samenhang met opgaven als woningbouw, bereikbaarheid, energietransitie en milieu. Een sterk en internationaal concurrerend vestigingsklimaat vereist niet alleen goede verbindingen en ruimte voor mensen en bedrijven om te werken en te ondernemen, maar vraagt ook een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners een ruim en hoogwaardig keuzenpalet biedt van voorzieningen op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Nationale parken kunnen hier een belangrijke bijdrage aan leveren. De uitdaging is de transitie naar een duurzame economie in ons land succesvol te laten samengaan met behoud en ontwikkeling van onze sterke internationale concurrentiepositie. Dat is noodzakelijk als basis voor welvaart, werkgelegenheid en welzijn in de toekomst.

Beleidskeuze 1: circulaire economie

De Nederlandse economie verandert van karakter en is in 2050 geheel circulair en CO2-neutraal. Nederland heeft een sterke positie in de top vijf van meest concurrerende economieën. Een gezonde en veilige leefomgeving en een goed vestigingsklimaat in het gehele land dragen bij aan een duurzaam groeivermogen van 2% van het Bruto binnenlands product (BBP). Het Rijk investeert, faciliteert met kennis en onderzoek en stelt eisen aan het benutten van circulaire grondstoffen. 

Circulaire economie
Een toenemende schaarste aan bepaalde grondstoffen en de schadelijke gevolgen van het winnen van grondstoffen dwingen tot minder en efficiënter grondstoffengebruik. Essentieel is dat alle grondstoffen in circulatie blijven en ‘afval’ tot het verleden gaat behoren. De uitdaging ligt daarbij in het op een andere manier ontwerpen en inrichten van industriële activiteiten. Het gaat dan om het ontwerpen van materialen, producten en processen, die in de hele levenscyclus geen schadelijke emissies of andere risico’s meer veroorzaken en dus verwaarloosbare gezondheidsrisico’s met zich meebrengen (‘safe by design’).

Ook de duurzame, circulaire economie brengt milieuoverlast en ruimtebeslag met zich mee, al was het maar vanwege omgevingsveiligheid en milieurisico’s, die ook aan de circulaire economie verbonden zijn. Een goede afweging tussen de voordelen en nadelen van circulair produceren, van een besparing op het gebruik van grondstoffen en energie tegenover de milieubelasting van het terugwinnen en hergebruik van materialen, is noodzakelijk.

Windpark Rilland in Zeeland. (Mischa Keijzer)

Ruimtegebruik
Met de beschikbare milieuruimte voor industrie, transport en distributie en andere economische clusters moet zorgvuldig worden omgegaan. De ruimte die nu in gebruik is voor industrie- en havenfuncties moet beschikbaar blijven voor de genoemde transitie, tenzij alternatieven beschikbaar komen. Zoveel mogelijk moet worden gezocht naar het optimaliseren van het huidige ruimtegebruik door compacter ruimtegebruik en het combineren van functies. Het toekomstig benodigde ruimtegebruik is onzeker. Waar nodig stellen de decentrale overheden extra ruimte beschikbaar voor de verdere ontwikkeling en omschakeling naar een duurzame, circulaire economie van: de vijf energie-intensieve industrieclusters (Rotterdamse haven/Rijnmond, Amsterdamse haven /IJmond/ Noordzeekanaalgebied, Eemshaven/Delfzijl, Vlissingen/Terneuzen, en Chemelot/Zuid-Limburg), onze lucht- en overige zeehavens, Brainport Eindhoven, de greenports en de digitale (internationale) infrastructuur, inclusief datacenters.

Bereikbaarheid
Voor het uitbouwen en versterken van de economische top positie van Nederland en een duurzame economische groei stellen overheden waar nodig ontwikkelingsruimte beschikbaar en investeren zij in verdere verbetering van het (inter)nationaal ruimtelijk economische netwerk, duurzame mobiliteit, een optimale internationale bereikbaarheid, evenals bereikbaarheid tussen en binnen de steden. Ook het bereikbaar, leefbaar en aantrekkelijk houden van onze steden, bij een forse toenemende druk op de ruimte en infrastructuur, is cruciaal voor de internationale concurrentiepositie.

Toelichting beleidskeuze 1

Beleidskeuze 2: transitie productieprocessen

Ingezet wordt op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen. Ruimte voor haven- en industriegebieden blijft behouden.

Smart industry
Nieuwe ontwikkelingen zoals robotisering, digitalisering en schone productieprocessen vragen om een nieuwe blik. Deze ‘smart industry’ leidt ertoe dat productieprocessen die voorheen naar landen met een lager loonpeil verdwenen waren, zich weer in Nederland vestigen. Dit heeft te maken met het feit dat de productie en logistiek in de keten inmiddels zo ‘smart’, hoogwaardig en efficiënt georganiseerd kan worden, dat productie in Nederland weer rendabel wordt (‘reshoring’). ‘Oude’ en ‘nieuwe’ economie zullen een tijd lang naast elkaar bestaan. De transitie moet zorgvuldig ter hand worden genomen met aandacht voor aanwezige natuurwaarden, economische belangen, behoud en versterking van landschappelijke kwaliteit, woonkwaliteit en voor (omgevings-)veiligheid en milieunormen. De transformatie moet passen binnen de beschikbare milieuruimte.

Energie-intensieve industrie
Voor alle energie-intensieve industrieën, waaronder ook datacenters, moeten duurzame energiebronnen worden aangewend. De overgang van de import, gebruik en verwerking van fossiele brandstoffen naar duurzame energie vereist een transformatie van haven- en industriegebieden. Gelet op de verwachte lange transitieperiode zullen verschillende energiesystemen mogelijk tientallen jaren naast elkaar bestaan, wat mogelijk extra ruimtebeslag vergt. Dit betreft ruimte voor opslag, overslag, transport en gebruik van fossiele én niet-fossiele brandstoffen. Decentrale overheden hebben een essentiële rol om bedrijven te ondersteunen bij de overgang van lineaire naar circulaire productieprocessen.

Keuzes voor haven- en industriegebieden
Nabij de haven- en industriegebieden aan de kust, zoals de Eemshaven, het Noordzeekanaalgebied, de Rijnmond en Vlissingen/Terneuzen, zijn belangrijke aanlandingspunten voor duurzame energie die op zee is opgewekt. In deze gebieden wordt actief ruimte geboden aan (nieuwe) energie-intensieve industrie. Zo voorkomen we dat ondergrondse kabels die op het land aankomen soms ver landinwaarts op hoogspanningsstations moeten worden aangesloten (met bijvoorbeeld doorsnijding van landschappen als gevolg). Een ander voordeel is dat juist op deze energie-intensieve clusters de urgentie voor een duurzame, circulaire transitie het grootst is. De combinatie met aanlanding van wind op zee kan dat proces versnellen, met aanvullend kansen voor benutting van reststoffen (onder andere warmte) voor de omgeving.

Voor de havens van Rotterdam en Amsterdam geldt overigens in het bijzonder dat de genoemde transitie een nauwe relatie heeft met een bredere verstedelijkingsopgave. De groei van productie en overslag in de haven, en de intensivering van het grondgebruik in de haven, kunnen botsen met de ontwikkelings- en bouwplannen in de omgeving. Het functioneren van havens mag niet in het gedrang komen. Eventueel ruimteverlies voor havenfuncties als gevolg van stedelijke transformaties moet - zo nodig - worden gecompenseerd. Voor verder landinwaarts gelegen industriële clusters, zoals Chemical Cluster Emmen en Chemelot wordt voor duurzame energie onder andere ook gekeken naar alternatieven in duurzame elektriciteitsvoorziening in plaats van directe aansluiting op windenergie opgewekt op zee. Behoud van de concurrentiekracht en level playing field voor deze clusters is een belangrijk aandachtspunt. Hierbij wordt tevens gekeken naar de buisinfrastructuur en de mogelijkheden die de grensoverschrijdende energie-infrastructuur zou kunnen bieden.

Gezien de verwachte wereldwijde groei van transport van personen en goederen, is het aannemelijk dat Nederland, met de grootste en de vierde haven van Europa en de derde luchthaven van Europa, ten minste een deel van die groei zal accommoderen. Een goede balans tussen transporteconomie en milieu, stedelijke economie en groei en quality of life is daarbij essentieel.


Benutten reststoffen en restwarmte in de bouwsector
Het benutten van reststoffen door de industrie en restwarmte door tuinbouw, kantoren en woningen stelt eisen aan de nabijheid van aanbieders en gebruikers. Voor de bouwsector (woningbouw, grond-, weg- en waterbouw) ligt de uitdaging om nieuwe bouwwerken en woningen niet alleen klimaat- en energieneutraal, maar ook met zoveel mogelijk herbruikbare materialen en natuurinclusief te bouwen. Door gebouwen, waaronder woningen en kantoren, zoveel mogelijk aanpasbaar en flexibel te bouwen, zijn deze voor meer generaties aantrekkelijk en zijn ze ook in de toekomst voor andere dan woonfuncties geschikt. Bij een locatiekeuze voor nieuwe vestigingen van zowel aanbieders als gebruikers van reststoffen en restwarmte is de afname c.q. beschikbaarheid van reststoffen en restwarmte een belangrijk criterium. Bij bouwprojecten wordt hergebruik van materialen en van bouw- en sloopafval een vereiste.

Transitie land- en tuinbouw
Nederland telt zeven greenports, regionale tuinbouwclusters waarbinnen tuinbouwbedrijven intensief samenwerken om verschillende gebiedsopgaven die sector-overstijgend zijn integraal te benaderen. Daarbij gaat het om noodzakelijke gebiedsontwikkeling om een klimaatneutrale en circulaire tuinbouw te kunnen realiseren waarbij met andere sectoren wordt samengewerkt. Bijvoorbeeld voor de aanleg van regionale warmtenetten en niet-fossiele warmtebronnen, gebruik van afgevangen CO2 vanuit de industrie, vergroting van de capaciteit voor gezamenlijke waterberging en -zuivering en een infrastructuur voor een optimaal ‘vers’-netwerk dat goed aansluit op de mainports.

Orchideeënteelt volgens het principe van ‘de kas zonder gas’, in Ter Aar. (Mischa Keijser)

Toelichting beleidskeuze 2

Beleidskeuze 3: bereikbaarheid 

Ingezet wordt op een optimale (inter)nationale bereikbaarheid van steden en economische kerngebieden, die belangrijk zijn voor onze economie. Ingezet wordt op het wegnemen van ontbrekende schakels in de infrastructuur en het met elkaar verknopen van nationale infrastructuurstelsels.

In de concurrentiestrijd om het aantrekken en behouden van internationaal opererende bedrijven speelt het vestigings- en ondernemersklimaat een steeds belangrijkere rol. Steden en (stedelijke) regio’s zijn belangrijke dragers van de Nederlandse economie en hun belang neemt naar verwachting in de toekomst toe. Steden en (stedelijke) regio’s bereikbaar, gezond, leefbaar en aantrekkelijk houden, is cruciaal om de internationale concurrentiepositie van Nederland veilig te stellen. De kaarten ‘Internationale verbindingen en knooppunten’ en ‘Economische kerngebieden en verbindingen’ geven een beeld van de internationale netwerken en (stedelijke) regio’s als dragers van de Nederlandse economie.

Ruimtelijke Economische Ontwikkel Strategie
Voor de Nederlandse economie is de (agglomeratie)kracht van het netwerk, bestaande uit de vijf grootste steden c.q. de vier metropoolregio’s (Metropoolregio Amsterdam (MRA), Metropoolregio Rotterdam – Den Haag (MRDH), Metropoolregio Utrecht (MRU), Metropoolregio Eindhoven (MRE) en steden elders in binnen- en buitenland, van groot belang. Zij hebben een aantrekkingskracht op internationale kennis, arbeid en kapitaal. Elk van de stedelijke regio’s heeft hierin een herkenbare en sterke positie en maakt deel uit van het netwerk dat zij met elkaar en met andere steden in binnen- en buitenland vormen. De groei van het aantal inwoners, bedrijven en arbeid in deze grootstedelijke regio’s leidt tot een forse druk op met name de woningmarkt en de bereikbaarheid van deze regio’s. Daarmee onderscheidt dit gebied zich in ruimtelijk economisch perspectief van andere stedelijke regio’s in Nederland door de urgentie, complexiteit en omvang van de opgaven. Het versterken van deze steden en metropoolregio’s omvat onder andere het versterken van de connectiviteit van toplocaties, het verbeteren van de digitale infrastructuur en de transformatie van (binnen)stedelijke gebieden. Dit is beschreven in de Ruimtelijke Economische Ontwikkel Strategie (REOS) van Rijk, grote steden, betrokken provincies en Economic Boards. Deze metropolitane ontwikkeling is van groot belang voor ons concurrentievermogen en daarmee voor de huidige en toekomstige economische positie en ontwikkeling van Nederland.

Optimale (inter)nationale netwerken
De economie van Nederland is natuurlijk meer dan de vier metropoolregio’s. We verdienen in heel Nederland ons geld met hoogwaardige, innovatieve en exporterende bedrijvigheid. Het midden- en kleinbedrijf is van groot economisch belang en wijdverspreid over ons land. Het Rijk stimuleert ontwikkelingen in het hele land en stuurt onder meer aan op het behoud en de realisatie van optimale nationale netwerken en Trans Europese Netwerken (TEN’s); het hoofdwegennet, een hoogwaardige railinfrastructuur met goede regionale en internationale IC-verbindingen, een goed functionerend vaarwegennetwerk, voldoende capaciteit in de energie- en buisleidingeninfrastructuur en een state of the art data-infrastructuur.

De Betuwelijn en snelweg A15 nabij Herwijnen. (Mischa Keijser)

Luchtvaart
De internationale bereikbaarheid en de vooraanstaande positie van de luchthaven Schiphol zijn zowel van belang voor de inwoners van Nederland, als voor onze concurrentiekracht en de direct of indirect daarmee verbonden activiteiten en arbeidsplaatsen. De ontwikkeling van onder andere Schiphol, Lelystad, Rotterdam en Eindhoven heeft echter ook impact op de leefomgeving, gezondheid en het milieu. De inzet van het kabinet en andere betrokkenen is dan ook gericht om opnieuw een balans te vinden tussen de hinder, uitstoot, ziektelast, overlast en de (ruimtelijke) beperkingen die uit de luchtvaart voortvloeien enerzijds en het waarborgen van de belangrijke functie die de luchtvaart voor ons land heeft anderzijds.

Luchthaven Schiphol is van groot belang voor de Nederlandse concurrentiekracht. (Dieuwke van Vulpen Westra)
Keuzes voor de luchtvaart
De luchtvaart verwerkt een omvangrijke vraag, terwijl de capaciteit op de luchthavens en in het luchtruim in voornamelijk West-Europa beperkt is. Het belang van de internationale netwerkkwaliteit voor transferpassagiers op Schiphol en de rechtstreekse verbinding met Europa vanuit de regionale luchthavens is een vanzelfsprekendheid geworden. Randvoorwaardelijk bij deze ontwikkelingen is dat de veiligheid in de luchtvaart op de grond en in de lucht wordt gewaarborgd.

Het is niet duidelijk hoe de luchtvaart en het internationale vracht- en personenvervoer zich gaan ontwikkelen in omvang en karakter. Er wordt gekeken naar alternatieven binnen of voor de luchtvaart maar het is nog niet zeker welk effect de andere vormen van mobiliteit teweeg gaan brengen. Er wordt samen met de sector wel gewerkt aan een actieplan voor de trein als duurzaam alternatief op de korte en middellange afstanden.

De ontwikkeling en omvang van de luchtvaart levert nu en in de toekomst spanning op tussen milieu, duurzaamheid, woon- en leefomgeving enerzijds en de dynamiek van luchtvaart en economie anderzijds. Woningbouw rond Schiphol is een discussie op zich. De dynamiek van stad en metropoolregio Amsterdam is groot en het belang van Schiphol voor Nederland ook. Voor zowel wonen als vliegen (en de bijbehorende veiligheids- en geluidscontouren) moet er ruimte zijn. Dat betekent dat er specifieke zones zijn waar bebouwing niet of beperkt mogelijk is. Het streven is wel om die zones niet onnodig groot te laten zijn.

In de trajecten van de Luchtvaartnota 2020-2050 en de Luchtruimherziening worden keuzes gemaakt die relevant zijn voor de luchtvaart zelf, maar ook voor klimaat, gezondheid, veiligheid, economie en ruimtegebruik op de grond. Lopende deze trajecten blijven de huidige ruimtereserveringen rond Schiphol, de vijf regionale luchthavens (van nationaal belang) en de militaire luchthavens gehandhaafd.


Toelichting beleidskeuze 3

Beleidskeuze 4: vestigingsklimaat

Overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio’s en bevorderen een onderscheidend en aantrekkelijk vestigingsklimaat [1].

Economische activiteiten en hoogopgeleiden concentreren zich in steden en stedelijke regio’s, waardoor de economische dynamiek toeneemt, maar ook de druk op de leefomgeving. Dit geldt met name voor de grootste steden in ons land. Veel innovatie ontstaat in steden en niet alleen bij startups, broedplaatsen en onderzoeksinstellingen, maar ook door ontmoetingen op aantrekkelijke plekken in de stad. Het verdienvermogen van Nederland beperkt zich overigens niet tot de grote steden. In alle regio’s van het land is een grote verscheidenheid aan economische activiteiten te vinden, waarvoor een goed vestigingsklimaat belangrijk is.

Steden en stedelijke regio’s zijn belangrijk voor onze economie. Dit geldt vooral daar waar sprake is van een aantrekkelijke en gezonde omgeving en diversiteit in aanwezige economische functies, opleidingen en andere voorzieningen. De steden, hun aantal inwoners, culturele én economische activiteiten groeien de laatste jaren in hoog tempo. Die groei biedt kansen voor heel Nederland. De quality of life in de steden moet dan wel blijvend aandacht krijgen en op een nog hoger niveau uitkomen.

TU Delft Campus: Hoogwaardige buitenruimte en goede verbindingen per fiets en OV dragen bij aan vestigingsklimaat van Delft. (Marc Blommaert)

Voor Nederland - met zijn internationaal aansprekende steden, stedelijke netwerken en het aantrekkelijk gevarieerde landschap - liggen er kansen om met een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving een onderscheidend vestigingsklimaat te creëren. Dit is een belangrijke vestigingsplaatsfactor voor het aantrekken van hooggeschoolde (internationale) werknemers. Met de overgang naar een steeds meer op kennis en diensten gedreven economie worden de kwaliteiten die een stad biedt steeds belangrijker. De omvang van steden (massa en dichtheid) kan voordelen bieden door de concentratie van economische, sociale, politieke en culturele organisaties in dichtbevolkte gebieden, maar ook door de aanwezigheid van universiteiten, onderzoeksinstellingen, op consumenten gerichte voorzieningen, brancheorganisaties en overheidsinstellingen [2]. Regionale bereikbaarheid en een goed functionerend woon-werkverkeer zijn voor het economisch functioneren van onze steden en metropoolregio’s essentieel. Er is behoefte aan voldoende ontwikkelingsruimte voor een kwalitatief hoogwaardig aanbod aan werklocaties. De beschikbaarheid van goede en betaalbare woningen en een gezonde, schone, veilige en aantrekkelijke leefomgeving worden steeds bepalender voor het economische succes. Duurzame stedelijke groei en innovaties in mobiliteit zijn randvoorwaardelijk voor de groei van de stedelijke economie.

Het vraagt extra inzet in de stedelijke regio’s om de leefomgevingskwaliteit, het milieu en de bereikbaarheid op peil te brengen, omdat dat bijdraagt aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat. De overheid kan ruimte bieden aan dergelijke initiatieven en sociaal ondernemerschap om innovatie en verdere ontwikkeling van onze duurzame kenniseconomie te stimuleren. Meer duurzame mobiliteit wordt in stedelijke regio’s bereikt door het verbeteren van openbaar vervoer, het creëren van meer ruimte voor fietsers en voetgangers, het weren van vervuilende voertuigen en het vergroten van de laadmogelijkheden voor elektrische auto’s.

Toelichting Beleidskeuze 4

Beleidskeuze 5: grensoverschijdende verbindingen

Institutionele, technisch-operationele belemmeringen en knelpunten in regelgeving die goede grensoverschrijdende (spoor-, lucht-, weg- en water-) verbindingen belemmeren, moeten worden opgelost.

Een grensoverschrijdend perspectief op duurzame en vitale gebiedsontwikkeling, wonen, werken, infrastructuur (mobiliteit) en voorzieningen is nodig, met bijzondere aandacht voor de dynamiek in de grensregio’s. Met onze buurlanden bestaan diverse zorg-, woon-, werk- en onderwijsrelaties. Ook zijn er grensoverschrijdende effecten te zien op het gebied van water, natuur en landschap. Klimaatadaptatie is een voorbeeld van een grensoverschrijdende opgave. Om grensoverschrijdende samenwerking optimaal te kunnen benutten, zijn afspraken op het niveau van nationale overheden noodzakelijk.

De industrie in Terneuzen en Vlissingen is veel meer verbonden met die in West- en Oost-Vlaanderen dan met Nederland. De economie in Zuid-Limburg is gebaat bij betere samenwerking in de internationale stedenhoek Heerlen - Maastricht – Aken – Hasselt - Luik. Grensoverschrijdende uitwisseling van arbeidspotentieel wordt in de weg gestaan door verschillen in diploma’s, regelgeving en fiscale systemen. Grensoverschrijdend OV, voor woon-werk verkeer, kent nog veel uitdagingen. Het ontwikkelen van Omgevingsagenda’s (zie 'Samenwerking en uitvoering') vindt daarom plaats in overleg met, in elk geval, het Vlaamse en het Waalse Gewest en de Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen.

Toelichting beleidskeuze 5

Beleidskeuze 6: datacenters en digitale netwerken

Het Rijk faciliteert, in samenwerking met de andere overheden, de netbeheerders en het bedrijfsleven, ruimte voor vestiging van datacenters en voor de uitrol van nieuwe netwerken.

Ruimtelijke Strategie Datacenters
Datacenters en state of the art digitale infrastructuur zijn van groot belang voor het Nederlandse verdienvermogen en vestigingsklimaat. Het is een motor voor innovatie en genereert nieuwe maatschappelijke mogelijkheden in alle regio’s in ons land. Datacenters kunnen, volgens de Ruimtelijke Strategie Datacenters [3], daar worden gevestigd waar:

  1. duurzame energie beschikbaar is via huidige (en toekomstige) duurzame energienetwerken,
  2. de levering van restwarmte aan warmtenetwerken mogelijk is voor levering aan het stedelijk gebied, en
  3. voldaan kan worden aan de eisen die marktpartijen stellen aan digitale connectiviteit.

Datakabels en netwerk
De aanlanding van nieuwe internationale datakabels via de Noordzee zal mogelijk blijven en in het Noordzeeprogramma verder worden uitgewerkt, om de internationale connectiviteit te waarborgen. Doorontwikkeling van het huidige mobiele netwerk (4G) naar een nieuwe generatie (5G) is nodig voor tal van nieuwe ontwikkelingen rond telefonie, mobiel internet, smart cities en smart mobility. De hiervoor benodigde frequenties worden door de Rijksoverheid geveild. Voor de uitrol van het nieuwe netwerk is reservering van (veel) meer ruimte voor antennes en masten noodzakelijk ten opzichte van de huidige situatie.

Toelichting beleidskeuze 6

Beleidskeuze 7:  locatiekeuze kantoren, (winkel)bedrijven

Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. 

Winkels
Er is sprake van een mismatch tussen vraag en aanbod aan winkelruimtes. De omvang en de kwaliteit van het winkelapparaat laat op verschillende plekken te wensen over en staat mede door de opkomst van internetwinkelen, onder grote druk, met leegstand als gevolg. Vooral in krimp- en anticipeergebieden en in naoorlogse stadswijken en –buurten is dit het geval. Op sommige plekken zal het aantal vierkante meters vloeroppervlak moeten worden gereduceerd en het overblijvende winkelapparaat geclusterd. Elders kunnen gericht nieuwe, actuele concepten en voorzieningen bijdragen aan de gewenste 'quality of life' voor inwoners en gebiedsontwikkeling ondersteunen.

Kantoren
In de kantorenmarkt is nog steeds sprake van forse leegstand op diverse plekken. Tegelijkertijd kunnen sommige bedrijven en instellingen geen passende gebouwen vinden. Op gewilde locaties is sprake van tekorten. Tevens is er een gebrek aan courante, bij de actuele vraag passende gebouwen. Ook voor bedrijventerreinen geldt dat vraag en aanbod niet altijd goed op elkaar zijn afgestemd. Door de groei van de economie en werkgelegenheid zal de vraag naar bedrijfslocaties nog verder toenemen.

Bedrijventerreinen
Ook voor bedrijventerreinen geldt dat vraag en aanbod niet altijd goed op elkaar zijn afgestemd. In verschillende provincies is het aanbod veel groter dan de vraag en/of voldoet het aanbod niet aan de gewenste kwaliteit. Bedrijventerreinen zijn dikwijls verouderd en niet goed aangesloten op het hoofdwegennet.

Clustering van bedrijven rond knooppunten kan de economische vitaliteit van de regio bevorderen. Beeld: Zakenmensen aan de Zuidas. (Rob Poelenjee)

Tekorten én overschotten aan kantoren, winkels en bedrijventerreinen zijn voor een groot deel te voorkomen. Een zorgvuldige raming van ruimtebehoefte en aanbod op regionaal niveau is daarbij van groot belang. [4] Clustering van bedrijvigheid op locaties bij knooppunten van infrastructuur kan de economische vitaliteit van een regio bevorderen. Dit beleid dient een nationaal belang, maar vraagt decentrale uitwerking. (Boven)Regionale overheden voorkomen deze overschotten zowel als tekorten en houden bij inpassing rekening met de kwaliteit van het landschap. Een aaneenschakeling van grootschalige, eenvormige opslag- en distributiecentra lang rijkswegen moet zoveel mogelijk worden voorkomen.

Toelichting beleidskeuze 7

Beleidskeuze 8: toerisme

Nieuwe vestiging van toeristische attracties vindt bij voorkeur plaats buiten de huidige toplocaties en in de nabijheid van OV of bestaande aansluitingen op het hoofdwegennet.

Toerisme en recreatie zijn van toenemend economisch belang voor Nederland maar zorgen ook voor enorme druk op onze hoofdstad en enkele andere (historische en kust-) locaties en de lokale infrastructuur. Om het toerisme en de recreatie in goede banen te leiden en de druk op onze hoofdstad te verkleinen, is spreiding over het land nodig, door gerichte marketing en samenwerking van regionale en lokale overheden. Om in te spelen op de toegenomen druk door bezoekers met een recreatief en toeristisch oogmerk, is het essentieel te zorgen voor: een goede aantrekkelijke en ook voor bezoekers heldere inrichting van de openbare ruimte, optimale weg- en OV-verbindingen, goede handhaving van orde en netheid en – voor zover mogelijk - spreiding van attracties.

Rotterdam doet het goed als culturele bestemming en wordt populairder onder toeristen. (Iris van der Broek)

Toelichting beleidskeuze 8

Wilt u meer informatie over de kansen en risico's uit de millieueffectenrapportage over deze prioriteit? Lees hier verder in de digitale PlanMER.


Kaarten bij 'Duurzaam economisch groeipotentieel'
 

 


[1] Royal Haskoning DHV, Naar een duurzame en concurrerende economie, verdiepingsrapport, oktober 2017.
[2] Otto Raspe e.a., De economie van de stad in de mondiale concurrentie, 2013.
[3] Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, Ruimtelijke Strategie Datacenters: Routekaart 2030 voor de groei van datacenters in Nederland, Den Haag, 2019.
[4] BCI/EIB, Economische ontwikkeling en toekomstige ruimtebehoefte van bedrijfstakken in Nederland, 2019.