Toelichting beleidskeuze

Toelichting beleidskeuze 1: landgebruik

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

In het landelijk gebied verbetert de balans tussen het landgebruik en de kwaliteiten van landschap, bodem, water en lucht.

Ontwikkelingen in de bovengrond hebben grote samenhang met het bodem- en watersysteem en de ondergrond. Die verstoringen in natuurlijke systemen nemen toe als gevolg van klimaatverandering, zoals langere perioden van droogte, piekregens en verzilting. Om de weerbaarheid van Nederland als geheel te vergroten, is het nodig dat het landgebruik in het landelijk gebied beter in balans komt met het bodem- en watersysteem en de ondergrond, zodat het natuurlijk kapitaal wordt versterkt en Nederland beter in staat is mee te bewegen met de natuur en de seizoenen. 

Ondergrond
De ondergrond kan in principe worden benut voor nieuwe activiteiten, mits dit veilig en zorgvuldig gebeurt. Met als leidraad: ‘duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond, waarbij benutten en beschermen met elkaar in balans zijn’, is de Structuurvisie Ondergrond (STRONG) [1] opgesteld. Kernpunten hierin zijn het verbinden van ondergrond en bovengrond via driedimensionale (3D) ruimtelijke ordening, het toepassen van de watersysteembenadering, een goede samenwerking tussen alle overheden en het betrekken van de omgeving. Inhoudelijk gaat de STRONG onder meer in op het Rijksbeleid ten aanzien van drinkwatervoorziening, mijnbouw, schaliegas en CO2-opslag.

Wanneer we globaal kijken naar de ondergrond en het bijbehorende watersysteem, zijn hooggelegen gebieden te onderscheiden, waar regen in de grond wegzakt, tussengelegen gebieden in het midden van het land en laaggelegen gebieden (veelal langs de kust) waar kwel naar het oppervlak komt.

Zoetwaterbeschikbaarheid en drinkwater
Op de hoger gelegen (zand)gronden leiden langere perioden van droogte tot het wegzakken van (grond)waterstanden, en daarmee tot een tekort aan zoetwater. Op de droge zandgronden is het grondwatersysteem extra kwetsbaar voor (regionale) verspreiding van verontreiniging. Dit vormt een knelpunt in het bedienen en ontwikkelen van waterafhankelijke en/of milieubelastende functies in de toekomst. In dat geval zullen hoogwaardige en vitale functies voorrang krijgen. Bepaalde typen landbouw, natuur en andere functies die minder afhankelijk zijn van grondwaterstanden hebben in deze gebieden de voorkeur. Datzelfde geldt voor functies met een lage milieubelasting. Ook is het van belang het neerslagoverschot uit de winter te bufferen, met name voor vitale functies.

Door klimaatverandering kan de zoetwaterbeschikbaarheid afnemen waardoor tekorten ontstaan. Tevens neemt de watervraag op veel plaatsen toe. Zoetwatertekort wordt zoveel mogelijk binnen gebieden opgelost. In gebieden met ernstige zoetwatertekorten of verzilting gaan de overheden het landgebruik meer afstemmen op de zoetwaterbeschikbaarheid of staan we geen grote watervragende functies toe. Duurzame drinkwatervoorziening wordt gewaarborgd en we zorgen voor voldoende nieuwe en alternatieve bronnen om ook in de toekomst over voldoende drinkwater te beschikken. Tegelijkertijd dient ingezet te worden op waterbesparing bij huishoudens en bedrijven. Waterbesparing leidt tevens tot een besparing op energie en een vermindering van de te zuiveren hoeveelheid afvalwater, een win-win situatie. Transparantie voor gebruikers over de beschikbaarheid van zoetwater is hierbij van belang. Inzet is een robuust systeem om de schade bij droogte voor maatschappelijke en economische functies ook op lange termijn zoveel mogelijk te beperken.

Laaggelegen gebieden
Laaggelegen gebieden langs kuststroken zullen door zeespiegelstijging en bodemerosie in toenemende mate met verzilting te maken krijgen. Dit zal op termijn effect hebben op de landbouw. Ook speelt hier de bodemdalingsproblematiek van veenweidegebieden. Deze hangt in belangrijke mate af van de karakteristieken van het regionale bodem- en watersysteem. De reductie van CO2-emissies die vrijkomen bij het oxiderende veen, waardoor de bodem daalt, is als opgave onderdeel van het traject van het Klimaatakkoord. Maar bodemdaling vraagt om een antwoord op een bredere reeks aan maatschappelijke opgaven in het landelijke en ook stedelijke gebied: naast reductie van CO2-emissies, gaat het onder andere ook om opgaven op het gebied van waterveiligheid, waterkwaliteit, biodiversiteitsherstel, kwaliteit van bodem en ondergrond, wonen en behoud van erfgoed en historische gebouwen. Met hoge maatschappelijke kosten tot gevolg [2]. Het omgaan met bodemdaling is daarmee

een belangrijke cross-sectorale opgave die raakt aan verantwoordelijkheden en taken van het Rijk, decentrale overheden en een reeks van private partijen [3].

Keer terug naar de hoofdtekst


[1] Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat & Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Structuurvisie Ondergrond (STRONG), Den Haag 2018.
[2] Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Dalende bodems, stijgende kosten, Den Haag 2016.
[3] Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Ontwerp-Klimaatakkoord, TK 32813, nr. 263, Den Haag 2018.

 

Cookie settings