Instrumentarium

Instrumentarium
 

> Programma's
> Omgevingsagenda's
> NOVI-gebieden
> Monitoring en evaluatie

De Omgevingswet geeft de instrumenten waarmee de NOVI-doorwerking en uitwerking kan krijgen. Dit is – samen met andere ondersteunende middelen – weergegeven in de figuur Beleidscyclus NOVI. In de Uitvoeringsagenda NOVI werken wij op hoofdlijnen uit hoe de strategische beleidskeuzes van de omgevingsvisie concreet worden opgepakt zodat duidelijkheid wordt geboden, onder andere over de inzet van juridische, financiële en andere instrumenten.

Bij het verschijnen van de NOVI geldt de Omgevingswet nog niet. Tot dan geven huidige wetten het kader, zoals de Wet ruimtelijke ordening en de Waterwet en zal het Rijk vooralsnog ook de huidige instrumenten van die wetten inzetten voor de doorwerking en uitwerking van het beleid. Dit betekent onder meer dat bezien wordt op welke punten het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) [1] bijgesteld zal worden.

Figuur: De beleidscyclus NOVI (MvT Omgevingswet) voor het Rijk met instrumenten (zwart) en ondersteunende middelen (blauw).

Voor het nationale beleid voor de fysieke leefomgeving wordt de beleidscyclus doorlopen, waarbij het Rijk beziet of aanpassingen van het beleid nodig zijn. Waar kan het integraler en/of effectiever? Waar doen zich negatieve effecten voor? Waar is bijsturing nodig, ook op programmatisch niveau? Voor deze adaptieve cyclische aanpak is het essentieel dat er een goede wisselwerking is tussen de verschillende onderdelen van de beleidscyclus. Dit vraagt om een stevige processturing, zowel op de beleidscyclus zelf als op de interdepartementale afstemming.

Kwadrant 1: Beleidsontwikkeling


NOVI
De NOVI beschrijft de bestaande toestand en de gewenste ontwikkeling van de fysieke leefomgeving, geeft aan hoe nationale belangen worden geborgd en geeft richting op prioritaire opgaven. Tevens bevat de NOVI de hoofdlijnen over hoe deze worden uitgevoerd. De uitkomsten van de voor de NOVI opgestelde planMER geven inzicht in de onzekerheden, de kansen en risico’s van de verschillende opgaven en zijn een ‘0-meting’ die van belang is voor de periodieke monitoring van het concretiseren en realiseren van de opgaven. De NOVI is onderdeel van een permanent cyclisch proces. De NOVI kan indien nodig jaarlijks worden geactualiseerd. Niet elk jaar even grootschalig, maar er wordt wel steeds verkend of er nieuwe opgaven zijn die een geïntegreerde aanpak vragen. Op basis van de monitoring (tweejaarlijks) of de evaluatie (vierjaarlijks) zijn meer fundamentele wijzigingen mogelijk. De Uitvoeringsagenda, samenwerkingsafspraken en Omgevingsagenda’s (zie later in dit hoofdstuk) zorgen voor de samenhang, instrumentering en programmering van de uitvoering van het beleid van de NOVI en provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies.

Samenwerkingsafspraken NOVI
De NOVI is een nationale visie die zelfbindend is voor het Rijk, terwijl de uitdagingen in de fysieke leefomgeving vragen om een breed gedragen inzet van alle overheden. De NOVI krijgt concrete betekenis als er afspraken worden gemaakt over ‘daadkracht met de regio’, met als centrale vraag: hoe kunnen en willen overheden in de regio samenwerken, antwoord geven op de urgente opgaven en benodigde transities in de leefomgeving versnellen? Om op deze vraag een goed antwoord te geven, wordt toegewerkt naar het maken van samenwerkingsafspraken met de medeoverheden, op basis van de definitieve NOVI. Op hoofdlijnen zullen deze afspraken gaan over de rolverdeling tussen overheden. Dit is vanwege hun verschillende bevoegdheden, spelregels voor samenwerking, coalitievorming, planning en inzet van instrumenten (zoals interbestuurlijke programma’s) en middelen en de randvoorwaarden om de opgaven als één overheid te kunnen aanpakken. Commitment om gezamenlijk invulling te geven aan de ambities, doelen en beleidskeuzes uit de NOVI is daarbij vanzelfsprekend een uitgangspunt. De nationale, provinciale en gemeentelijke overheden, alsmede de waterschappen werken aan gezamenlijke opgaven en brengen hierbij hun eigen instrumenten in.

Wet- en regelgeving
De Omgevingswet benoemt niet alleen een omgevingsvisie. Ook instructieregels zijn een instrument voor de uitwerking van het rijksbeleid. Deze worden gebruikt om de doorwerking van het rijksbeleid juridisch waar nodig te borgen. De instructieregels van het Rijk zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voordat de Omgevingswet in werking treedt geldt nog het Besluit en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro en Rarro) op basis van de Wro. Bezien zal worden op welke punten het wenselijk is de instructieregels aan te passen of aan te vullen, voortvloeiend uit de NOVI.

Kwadrant 2: Beleidsdoorwerking

 

Figuur: De nationale, provinciale en gemeentelijke overheden werken aan gezamenlijke opgaven en brengen hierbij hun eigen instrumenten in.

Programma’s


Bij de beleidsdoorwerking van de NOVI spelen programma’s een belangrijke rol (zie MvT Omgevingswet pag. 114 – 123). Een programma bevat een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving en maatregelen om omgevingswaarden of andere doelen voor de fysieke leefomgeving (zoals benoemd in de NOVI) te bereiken en daaraan te blijven voldoen. Overheden kunnen ook samen het initiatief nemen voor een (interbestuurlijk) programma.

De programma’s die voortvloeien uit de NOVI kunnen integraal en/of gebiedsgericht zijn. Dit geldt ook voor programma’s die niet (of niet direct) uit de NOVI voortvloeien maar daarmee wel een relatie hebben. Voor de programma’s die voortvloeien uit de NOVI, dragen de betrokken ministers gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het trekkerschap ligt bij het eerstverantwoordelijke ministerie. De NOVI verandert de verantwoordelijkheden en taken van de verschillende bewindspersonen niet.

Bij de programmatische aanpak en uitvoering worden de kansen en risico’s uit de plan MER betrokken.

Overgangsrecht
Het Rijk betrekt de medeoverheden bij de uitwerking van programma’s. In de Uitvoeringsagenda van de NOVI worden enkele nieuwe programma’s aangekondigd. Daarnaast zijn er bestaande beleidsdocumenten, die onder de huidige regelgeving tot stand zijn gekomen, zoals structuurvisies, nota’s en plannen. Daarvoor geldt een gedifferentieerd overgangsrecht voor de vier typen programma’s, die in de Omgevingswet onderscheiden kunnen worden.

  • Voor de in de wet verplichte programma’s geldt dat de verplichte programma’s die op grond van het oude recht zijn vastgesteld, door overgangsrecht blijven gelden onder de Omgevingswet.
  • Voor de voorwaardelijke programma’s geldt dat als uit de monitoring blijkt dat niet voldaan wordt aan een omgevingswaarde, of dat dreigt te gebeuren, het verantwoordelijke bestuursorgaan een programma moet opstellen.
  • Voor de vrijwillige programma’s, onder het oude recht zowel buitenwettelijke figuren en wettelijke figuren zoals de aspect-structuurvisies op grond van de Wro, geldt dat deze onder oud recht geen juridische doorwerking naar derden hadden. Daarom is overgangsrecht niet nodig gebleken. Ook door het eventuele verlies aan juridische status, verliezen deze beleidsdocumenten hun betekenis niet. In de uitwerking van de nationale belangen zijn de strategische en relevante delen beschreven of is verwezen naar de nota’s en brieven die deze bevatten. De nieuwe programma’s zijn veelal een vrijwillig programma.
  • Voor Rijksprogramma’s geldt dat deze gecontinueerd worden onder de Omgevingswet.

Omgevingsagenda’s


De huidige MIRT-Gebiedsagenda’s geven een beeld van ontwikkelingen, opgaven en gewenst beleid voor de komende jaren op het gebied van onder andere infrastructuur, ruimte en transport (Zie MvT Omgevingswet pag. 114-123). De Gebiedsagenda’s fungeren daarmee als basis voor het bespreken van onderwerpen in de bestuurlijke overleggen MIRT. Deze gebiedsgerichte agenda’s bouwen we in het verlengde van de Omgevingswet en NOVI uit. We verbreden ze tot Omgevingsagenda’s. Deze volgen de MIRT-Gebiedsagenda’s op.

Het landsdelige schaalniveau maakt het mogelijk de gemeentelijke, en provinciale visies aan de NOVI te koppelen en een integrale agenda vast te stellen. De inhoudelijke voorbereiding en afstemming kan op ander schaalniveau plaatsvinden; de opgaven zijn daarin leidend. Per landsdeel worden daarover  afspraken gemaakt tussen Rijk en regio.

Deze vragen een flexibele, meerlaagse aanpak waarin het mogelijk is te schakelen tussen de verschillende schaalniveaus (koppeling tussen gemeentelijke en provinciale visies aan de NOVI). De Omgevingsagenda’s worden per landsdeel vastgesteld en zullen tot stand komen vanuit gebiedsuitwerkingen op regionale en landsdelige schaal. Ze zullen samen landsdekkend zijn.

Na agendering van de gezamenlijke opgaven en gewenste aanpak zal worden toegewerkt naar uitvoeringsafspraken, waaronder de inzet van programma’s en concrete projectbesluiten van Rijk en regio. De Omgevingsagenda slaat zo een brug tussen opgaven en concrete projecten. In samenwerking met provincies, gemeenten en waterschappen werkt het Rijk we komende jaren aan een passende en werkbare aanpak. Voor het bestuurlijke gesprek is het bestaande bestuurlijk overleg MIRT het vertrekpunt.

Voor de grote wateren (IJsselmeergebied, Waddengebied en Zuidwestelijke Delta) zijn/worden brede Gebiedsagenda’s opgesteld onder regie van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De Gebiedsagenda’s grote wateren zijn gelijkwaardig aan de Omgevingsagenda’s. Onderlinge afstemming tussen beide is essentieel.

Langjarig houvast
Het doel van deze nieuwe agenda’s is om vanuit een gezamenlijk beeld van de opgaven handvatten te bieden voor op elkaar afgestemde beslissingen van overheden en voor maatschappelijke spelers over ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving van het betreffende gebied. De vier integrale prioriteiten uit de NOVI vormen een belangrijke basis voor het bepalen van de rijksinbreng in de Omgevingsagenda’s. De Omgevingsagenda’s spelen, net als voorheen de Gebiedsagenda’s, een centrale rol bij overleggen en afspraken over projecten en programma’s van het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Mobiliteit en Transport (MIRT), maar hebben nadrukkelijk een bredere functie. Ze hebben een duidelijke relatie met alle relevante programma’s van Rijk en regio voor de fysieke leefomgeving. Samenwerking tussen Rijk, medeoverheden en maatschappelijke spelers is essentieel. Bij de uitvoering van de Omgevingsagenda’s zetten de overheden hun eigen instrumenten in, bijvoorbeeld omgevingsverordeningen, omgevingsplannen en projectbesluiten.

Afstemmen aanpakken
De uitdaging is om in de Omgevingsagenda’s ook verbinding te maken met omliggende regio’s in het buitenland en de grensoverschrijdende programma’s en projecten (bijv. de Zeeuws-Vlaamse kanaalzone, en Euregio Maas-Rijn). Een Omgevingsagenda fungeert hiermee ook als een platform voor een goede gebiedsgerichte integrale aanpak van de opgaven en een goede afstemming van thematische trajecten en programma’s. Niet alleen grensoverschrijdend, maar ook op onderwerpen als het Kustpact, de Regionale Energie Strategieën, de Woonagenda en de gebiedsgerichte afspraken in het kader van het Interbestuurlijk Programma.

Pilot Omgevingsagenda Oost
Op dit moment loopt een pilot voor een Omgevingsagenda Oost. Hierbij wordt in samenwerking met de provincies Overijssel en Gelderland ervaring opgedaan met de inrichting en aanpak van de toekomstige Omgevingsagenda’s.

(Rob Poelenjee)

Gezamenlijk leerproces
Het opstellen van de Omgevingsagenda’s is voor de samenwerkende overheden ook een leerproces. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal dit proces stimuleren in het kader van het integraal werken aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ervaringen die in diverse regio’s al zijn opgedaan worden hierbij betrokken. Gedacht wordt aan een gezamenlijk leerproces om de integrale en gebiedsgerichte aanpak verder te verbeteren. Bij een deel van de lopende programma’s is al sprake van een goed functionerend bestaand leerproces (bijvoorbeeld in samenwerking met het Planbureau voor de Leefomgeving). In die gevallen zullen we daar gebruik van maken en hierop aansluiten. Uiterlijk najaar 2021 zullen de Omgevingsagenda’s voor heel Nederland gereed zijn, in principe als programma’s onder de Omgevingswet.

zie verder 'Achtergronddocument Gebiedsbeschrijvingen'

NOVI-gebieden


Er zijn in de NOVI regio’s genoemd met omvangrijke opgaven, waarvoor extra aandacht nodig is bij het doorontwikkelen van een geïntegreerde, gebiedsgerichte werkwijze. Voor enkele gebieden met omvangrijke opgaven worden intussen goede stappen gezet in bestaande programma’s, zoals de bereikbaarheidsprogramma’s voor MRA, MRU en MRDH. Gebieden waar het binnen de huidige (institutionele) kaders nog niet of onvoldoende goed lukt om tot adequate en integrale oplossingen te komen, vragen om extra aandacht. Die gebieden worden tot NOVI-gebieden benoemd.

Het gaat hierbij om gebieden:

  • waarin complexe, omvangrijke en urgente opgaven en verschillende nationale belangen uit de NOVI samenkomen;
  • waarvoor meerjarige aanpak nodig is (ook over de grenzen van huidige fondsen en kaders);
  • met betrokkenheid van verschillende overheden, marktpartijen en/of maatschappelijke partijen;
  • waarbij rijksinzet aantoonbaar noodzakelijk is.

Bij de toepassing van deze criteria is van belang dubbel werk te vermijden. Alleen als er nog geen rijk-regio-programma loopt op dezelfde problematiek, of als een lopend programma zonder meer bestuurlijke drukte kan worden geïntegreerd in de aanpak, is aanwijzen als NOVI-gebied zinvol.

Voorbeelden zijn:

  • gebieden waar grote transities in de economie en transformatie in wonen, leefomgevingskwaliteit en bereikbaarheid samen komen;
  • transitie en ontwikkeling van veenweidegebieden (zoals het Groene Hart) ; 
  • transitie van hooggelegen zandgronden (zoals intensieve veehouderijgebieden en hun integrale opgaven in Oost-Brabant);
  • grensoverschrijdende problematiek, gekoppeld aan bevolkingsdaling (zoals in Zuid-Limburg);
  • ontwikkeling van Groningen (energyport, toekomst aardbevingsgebied, inclusief de ontwikkellocaties in de stad Groningen; voortzetting van het huidige Nationaal Programma.

Bij de eerstgenoemde categorie kan het bijvoorbeeld gaan om regionale combinaties van de grote ontwikkellocaties in de metropoolregio’s Amsterdam, Rotterdam-Den Haag, Utrecht en Eindhoven (woningbouw gekoppeld aan leefomgevingskwaliteit) en om transitie en transformatie van (delen van) de havengebieden van Amsterdam en Rotterdam [2].

De decentrale overheden worden nadrukkelijk uitgenodigd met voorstellen te komen. Daarbij kan worden gekeken hoe bestaande programma’s aangevuld of uitgebouwd kunnen worden, om zo nog niet geadresseerde problematiek te integreren in de aanpak.

Dit instrument wordt de komende perioden in een goede bestuurlijke samenwerking tot wasdom gebracht, waarbij een beperkt aantal gebieden kunnen worden geselecteerd en geïnstrumenteerd.

Voor de NOVI-gebieden gaat het om het opzetten van een gezamenlijk Rijk-regio-programma per gebied, inzet van rijksadviseurs en eventuele extra ruimte in de regelgeving. Integraal en samen de complexe en urgente gebiedsgerichte opgaven analyseren (onder meer met ontwerpend onderzoek) en een gewenste aanpak formuleren is de kern van de aanpak. Ook als voor het halen van de doelen buiten de bestaande kaders acties noodzakelijk zijn, kunnen deze worden verkend.

De meerwaarde van ontwerpend onderzoek; Stad van de toekomst [3]
De NOVI-opgaven vragen om nieuwe manieren van werken. Om deze opgaven te begrijpen, kan ontwerpend onderzoek behulpzaam zijn. Ontwerpend onderzoek kan inspireren, helpen innoveren en integreren, doordat meerdere toekomsten in kaart worden gebracht. Enerzijds levert dit oplossingsrichtingen die kunnen helpen bij het richting geven binnen integrale en complexe opgaven, anderzijds kan dit opgaven aanscherpen door schuurpunten te identificeren. Bijvoorbeeld door nationale opgaven op een lokale schaal tastbaar te maken. Bij het project ‘Stad van de Toekomst’ hebben 10 teams onderzoek gedaan naar vijf Nederlandse steden. De vraag was: “Hoe komen de verstedelijkings- en transitieopgaven bij elkaar op een vierkante kilometer?” Hier gebruikten team CIAM XXL en team Socio-Technical City ‘een tweede maaiveld’ om mobiliteit te verbinden met verstedelijking en klimaatadaptatie. Of team ‘All Inclusive’, dat laat zien hoe hoge dichtheden gepaard kunnen gaan met een hoge kwaliteit van leven. Ontwerpend onderzoek kan ook een verbindende rol hebben. Het verbindt ministeries, gemeentes, kennisinstituten, marktpartijen en burgers. Een ontwerpteam kan hiermee de verschillende belangen integreren in haar benadering, ontwerp of strategie. Zo’n voorbeeld is team Triangel, dat een op monopoly gebaseerd spel maakte, waarmee verschillende belangen afgewogen kunnen worden, en de conclusies gebruikt kunnen worden als input voor een ontwerp.

 


Programmering uitvoering
De aanpak zal anders van aard zijn dan vroegere programma’s, zoals de Sleutelprojecten. Dit waren qua geografische schaal relatief kleinschalige gebiedsontwikkelingen waar niet alleen plannen werden opgesteld, maar ook concreet door partijen invulling aan de uitvoering werd gegeven. NOVI-gebieden vinden op een grotere ruimtelijke schaal plaats en zijn vooral gericht op de programmering van de uitvoering (de voorfase, projectbesluiten volgen waar nodig en mogelijk daarna). Vanuit het Rijk zal meer dan één ministerie betrokken zijn; het meest betrokken ministerie bij het betreffende gebied zal het proces van rijkszijde trekken. Voor de uitvoering van de te maken keuzes in de gebieden is (vooralsnog) geen extra rijksgeld beschikbaar. In eerste instantie gaat het om meer gestroomlijnde inzet binnen de huidige kaders. Daar waar de ruimte voor oplossingen daarbinnen te klein is, kan dit worden geïdentificeerd. Er kunnen echter in deze fase geen trekkingsrechten aan worden verbonden.

Samen met reeds lopende programma’s ontstaat met deze en andere te ontwikkelen gebiedsuitwerkingen een uitvoeringspraktijk van Rijk en regio die past bij de opgaven die de NOVI adresseert. Belangrijk is dat, waar nodig, nauw wordt afgestemd met lopende programma’s, zonder de verantwoordelijkheden voor de verschillende programma’s te veranderen.

(Mischa Keijser)


Kwadrant 3: Uitvoering


Omgevingswet
De Omgevingswet kent de volgende instrumenten voor de uitvoering: algemene regels, het projectbesluit en de omgevingsvergunning. Voor die onderdelen van het beleid waar het Rijk zelf de uitvoering ter hand neemt, zal het hiervan vooral het instrument projectbesluit hanteren. In zijn rol van bevoegd gezag zal het Rijk de NOVI betrekken bij besluiten over omgevingsvergunningen.

Bekostiging
Niet alleen omgevingsruimte, maar ook middelen zijn schaars. Implementatie van de NOVI betekent het gestand doen van ruimtelijke keuzes. Daar kunnen investeringen van diverse partijen bij horen. Het kernidee van de NOVI is dat betere, meer geïntegreerde ruimtelijke keuzes leiden tot meer welvaart in de breedste zin van het woord. Dat betekent ten eerste dat investeringen zullen renderen, anders kunnen we die investeringen beter achterwege laten. Onderzocht wordt hoe investeringen meer gedragen kunnen gaan worden door die partijen die de baten zullen genieten (profijtbeginsel) en door die partijen die verantwoordelijk zijn voor negatieve externe effecten op de samenleving (de-vervuiler-betaalt-principe). Voor overheden geldt dat kosten en investeringen ingepast zullen moeten worden binnen de budgetten die daarvoor op het moment van besluitvorming beschikbaar zijn. Dat geldt ook indien maatregelen in de fiscale sfeer op tafel komen te liggen; zowel de Rijksoverheid als de medeoverheden hanteren beheersinstrumenten voor lastendruk, waarbinnen ook maatregelen voorvloeiend uit de NOVI ingepast zullen moeten worden. Mede met behulp van deze instrumenten kunnen ‘winnaars’ van betere ruimtelijke keuzes bijdragen aan de compensatie van ‘verliezers’ van die keuzes. Wel speelt hier het verdelingsvraagstuk: de politieke keuze of burgers en bedrijven die meer of minder ruimtelijke mogelijkheden krijgen daarvoor moeten betalen of gecompenseerd worden, en zo ja in welke mate. Ook dit verdelingsvraagstuk zal beantwoord moeten worden binnen de budgettaire kaders die daar op het moment van besluitvorming voor zijn.

Bekostiging is nu vooral gekoppeld aan (sectorale) programma’s en projecten en wordt ingezet in de vorm van subsidies of via specifieke fondsen. De Raad voor leefomgeving en infrastructuur (Rli) adviseerde om na te denken over verruiming van de toepassingsmogelijkheden voor de integrale ruimtelijk-fysieke opgaven [4]. Met onder andere de omvorming van het Infrastructuurfonds naar een Mobiliteitsfonds beoogt het kabinet maatregelen gericht op de bereikbaarheid van Nederland te faciliteren. De oriëntatie verbreedt van investeringen in infrastructuur naar ook ruimte voor mobiliteitsmaatregelen. Zo worden onder andere de schotten tussen de modaliteiten losgelaten en bestaat er expliciet ruimte om slimme maatregelen te bekostigen. Het kabinet acht het mogelijk om vanaf 2030, zoals de Rli eerder had geadviseerd, dit advies in praktijk te brengen. Ook onderzoekt het kabinet op welke wijze gebiedsgerichte investeringen, in onder andere infrastructuur, op alternatieve wijze bekostigd kunnen worden. Dit doet het kabinet onder andere met de G4 in de bereikbaarheidsprogramma’s en specifieke casestudies. Tevens is een studiegroep naar alternatieve bekostiging van Ruimtelijke Gebiedsontwikkeling ingesteld.

Kennis
De NOVI geeft een langetermijnvisie op de toekomst van Nederland. De wereld is continu in beweging en onze kennis over de toekomst is beperkt. Regelmatig verkennen van ontwikkelingen en opgaven blijft nodig om onze visie actueel te houden. Wat nu effectief beleid is, kan door veranderende omstandigheden zijn werking verliezen. Nieuwe en andere maatregelen kunnen nodig zijn om de beleidsdoelstellingen te realiseren. Om te komen tot een daadwerkelijke cyclische NOVI is het daarom van belang om periodiek de ontwikkelingen en de maatregelen tegen het licht te houden en het beleid zo nodig bij te sturen. Een goede organisatie van het lerend vermogen en een kennisinfrastructuur zijn daarbij essentieel. Zo kunnen alle betrokken overheden en partijen leren van hun ervaringen en tegelijkertijd hun inspanningen verantwoorden. De aanpak van de opgaven en de snelle technologische ontwikkelingen vragen daarnaast om de ontwikkeling van nieuwe kennis (bijvoorbeeld vanwege het proces van regionalisering), goede toegang tot en systematisch gebruik van informatie, en toepassing van de verworven kennis en vaardigheden op alle niveaus. Dit zal vorm krijgen in een gezamenlijke kennis- en innovatieagenda die is gekoppeld aan de prioriteiten van de NOVI.

Kwadrant 4: Terugkoppeling


Voor de permanent cyclische aanpak is het essentieel dat er een goede wisselwerking is tussen beleidsontwikkeling, beleidsdoorwerking, uitvoering en doelbereik. Dit betekent dat er ook een terugkoppeling moet zijn over de behaalde resultaten. Deze terugkoppeling vindt plaats vanuit het toezicht en de handhaving en vanuit de monitoring en evaluatie.

Toezicht en handhaving
Voor toezicht en handhaving is een nauwe verbinding nodig tussen overheden en hun uitvoeringsorganisaties (zoals omgevingsdiensten, GGD/GHOR, veiligheidsregio’s en beheerders van vastgoed en infrastructuur), zodat signalen over uitvoering in de praktijk, op tafel komen bij de beleidsmakers en er tijdig kan worden bijgestuurd. Op die manier versterken we de effectiviteit en kwaliteit van het omgevingsbeleid.

Wet- en regelgeving
Via wet- en regelgeving wordt de uitvoering van nationale belangen toevertrouwd aan overheden. De vraag aan alle partijen is zich te richten op de eigen verantwoordelijkheid en op het voorkómen van risico’s die de kwaliteit van de leefomgeving aantasten. Daardoor is saneren en het beheersen van risico’s op lange termijn steeds minder aan de orde.

Toetsing achteraf
De meeste toetsingen zullen in het nieuwe stelsel achteraf plaatsvinden. Als de door het Rijk gestelde omgevingswaarden (uit de Omgevingswet) niet worden gehaald, zal een verplicht programma worden opgestart, conform de Omgevingswet.

Monitoring en evaluatie


Lerend programma
Voor een adaptieve NOVI is het nodig om de vinger aan de pols te houden bij de voortgang van de uitvoering van de NOVI, zicht te houden op de feitelijke ontwikkelingen en de stand van zaken van transitieprocessen, en een goede basis te ontwikkelen voor externe verantwoording. Dit vraagt om een op leren gericht monitoring- en evaluatieprogramma.

Monitor fysieke leefomgeving: Monitor NOVI
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zal (in elk geval) de bestaande tweejaarlijkse monitor van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) [5] omvormen tot een monitor voor de gehele fysieke leefomgeving zoals beschreven in de NOVI. De door het College van Rijksadviseurs uitgewerkte monitor voor het landschap [6] wordt hierin zoveel mogelijk meegenomen. Om de voortgang met de gewenste aansluiting met de provinciale omgevingsvisies en gemeentelijke omgevingsvisies en de gebiedsgerichte aanpak te kunnen volgen, wordt de opzet van de monitor met de medeoverheden verder uitgewerkt. Zodanig dat ook decentrale ontwikkelingen een plek in de monitor kunnen krijgen.

Deze Monitor NOVI’ zal primair de borging van de nationale belangen en prioriteiten onderzoeken. Naast monitoring op doel- en effectbereik, worden ook de voortgang van de benoemde transities en de gebiedsgerichte aanpak gemonitord. De Monitor NOVI geldt ook als de monitor van het doel- en effectbereik van de maatschappelijke doelstellingen van de Omgevingswet.

Beleidsevaluatie NOVI
Naast het monitoren van de voortgang van het beleid uit de NOVI zullen we de werking van de NOVI regelmatig evalueren. Deze beleidsevaluatie is gericht op het verbeteren van de werking van het beleid uit de NOVI en zal eens in de vier jaar plaatsvinden. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal deze evaluatie in samenwerking met de betrokken collega’s uitvoeren.

Verantwoording
Op basis van monitoring en evaluatie wordt jaarlijks verantwoording afgelegd aan de Tweede Kamer en kunnen eventuele aanpassingen in de visie en uitvoering worden gedaan.

Lees verder Hoe werken we samen?

Lees verder Uitvoering


[1] Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), Besluit van 22 augustus 2011, houdende algemene regels ter bescherming van nationale ruimtelijke belangen, geldend van 2018.
[2] zie ook de verstedelijkingsstrategie (onder prioriteit 3 in Richting geven op prioriteiten).
[3] BNA onderzoek, De stad van de toekomst. Tien ontwerpvisies voor vijf locaties. Verbeelding voor een vierkante kilometer stad, Amsterdam 2019.
[4] Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), Van B naar Anders. Investeren in mobiliteit voor de toekomst, Den Haag 2018.
[5] Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR): Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig, Den Haag 2012.
[6] College van Rijksadviseurs(CRa), Monitor Landschap: naar een landsdekkend systeem, Den Haag 2018.